Uitdagingen in fietsbeleid 29 juni 2015

In de juni-editie van Verkeer in Beeld publiceerden we het artikel 'Fietsvriendelijkheid in Europees Perspectief'


Natuurlijk, de verkiezing van Kopenhagen als de meest fietsvriendelijke stad is feitelijk een niet al te serieus te nemen gimmick van een Kopenhaags ontwerpbureau. Het aantal fietsers en de aandelen fiets in de modal split zijn in Nederland van een geheel andere orde dan in Denemarken, net als kwaliteit en omvang van fietsinfrastructuur. Alleen al het feit dat een voor Nederlandse begrippen irrelevant onderwerp als de fietshelm een item is in die verkiezing, geeft al aan hoe dominant de fiets is in het Nederlandse verkeersdiscours. En hoeveel terrein er in het buitenland nog moet worden ontgonnen.

Het enthousiasme waarmee het ons bekende repertoire aan maatregelen als innovaties worden voorgeschoteld zegt vooral iets over het verschil in stadium waarin het fietssysteem zich bevindt. Er zijn immers genoeg Nederlandse voorbeelden van een bewuste keuze voor de fiets, zoals extra brede fietspaden en fietssnelwegen. Feitelijk zijn Nederlandse steden het stadium waarin buitenlandse steden nu verkeren allang gepasseerd. Dat maakt vergelijken moeilijk.

De uitdaging

Vervoerssystemen hebben een levenscyclus met verschillende fasen (Filarski, 1997): een pioniersfase, een groeifase, een dominantiefase en vaak ook een teruggangsfase. De groeifase kenmerkt zich door snelle uitbouw van het netwerk waarmee het vervoerssysteem steeds concurrerender wordt. Waar de fiets in Nederland al een dominant vervoermiddel is, is er in het buitenland nog sprake van een eerdere fase. En dit brengt heel andere uitdagingen met zich mee.

Die ligt in Nederland eigenlijk allang niet meer in het in het zadel krijgen maar vooral het in het zadel houden van de fietser. We zijn allemaal al overtuigd van het bijzondere belang van het fietsen. Belangrijker is hoe de fiets nu gepositioneerd gaat worden in de stad en hoe de relatie met verwante modaliteiten komt te liggen: openbaar vervoer en vooral de voetganger. Met een te unimodale keuze voor de fietser is het een kwestie van tijd voordat de meest kwetsbare verkeersdeelnemer, de voetganger, in het gedrang komt.

Waar komt al die aandacht voor de fiets eigenlijk vandaan? De grote vlucht die het fietsen lijkt te hebben genomen lijkt vooral tussen de oren te zitten. Waar het Rijk zich begin jaren 90 in het 2e Structuurschema Verkeer en Vervoer nog grote zorgen maakte over het slechte imago van de fiets, lijkt er nu geen eind te komen aan het mythologiseren van de fietscultuur. Fietsen is ‘booming’ en ‘hip’. Dat het fietsgebruik een trend is die zich voornamelijk afspeelt in de grote steden en minder in de rest van het land lijkt minder belangrijk. In totaal aantal fietskilometers neemt het fietsgebruik de afgelopen jaren in ieder geval niet toe, zegt het CBS.

Afscheid van de babyboomer

De opkomst van de fiets in de stad is zeker frappant; de meeste vervoerssystemen doen er immers vele decennia over om in de dominantiefase te komen. De thematiek van het hedendaagse fietsbeleid wijst er ook sterk op dat zelfs beleidsmakers min of meer overvallen lijken door de ontwikkelingen. Het fietsbeleid is namelijk vooral retrospectief: het inpassen van de fiets in de stad, aanpak van parkeerproblemen en tegelijkertijd een grote honger naar relevante data.

Toch lijken de veranderingen rond het fietsen wat minder toevallig dan dat we allemaal “opeens” massaal de fiets hebben ontdekt. Het is opvallend dat de plotselinge alomtegenwoordigheid van de stedelijke fietser vrijwel naadloos samenvalt met het afscheid van de geboortecohorten 1946 – 1960 van de arbeidsmarkt. De groep uit de geboortegolf van 1946 – 1948 heeft inmiddels definitief de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Daarmee is een generatie die is opgegroeid in een periode van autodominantie en verknocht (is) aan de auto vrijwel vervangen door een nieuwe generatie uit een tijdperk waarin de auto niet meer vanzelfsprekend was. Oliecrises, files, parkeerregulering en gratis OV-abonnementen hebben deze groep vertrouwd gemaakt met andere modaliteiten. En dus lijkt de revival van de fiets eerder een gevolg van het op de voorgrond treden van een nieuwe generatie die al vertrouwd was met de fiets dan dat er sprake is van een overtuigde en enthousiaste fietscultuur. De opkomst van de bakfiets en de in dezelfde periode iets minder aangehaalde verdrievoudiging van brom- en snorfietsgebruik past hier eveneens in, net zoals de elektrische fiets ook een marktaandeel op de grotere afstanden zal gaan innemen.

Integrale aanpak

En juist daar ligt de uitdaging. Aandacht voor de fiets is goed maar alle kaarten op het fietsen inzetten leidt op termijn tot dezelfde problematiek als de auto. De recente discussie over zebrapaden is hier een schrijnend voorbeeld van. Nu de auto in de steden op zijn retour is komt er ook ruimte vrij en is er gelegenheid om met een schone lei te beginnen. Maar laten we het vervoerssysteem dan integraal op de schop gooien en daarbij beginnen bij de voetganger en nieuwe ontwikkelingen als de elektrische fiets, en de zelfrijdende auto hierin betrekken.